Hubert Lampo è stato uno scrittore fiammingo la cui opera si addentra in temi profondi come il mistero, la realtà e il sogno. Si dedicò all'esplorazione degli spazi liminali tra mondi diversi e delle intricate vite interiori dei suoi personaggi. Lo stile letterario distintivo e l'approccio filosofico di Lampo offrono ai lettori un'esperienza unicamente accattivante. I suoi scritti invitano alla contemplazione sulla natura dell'esistenza e della percezione.
Bevat: - De heks en de archeoloog (8e herziene druk) - Wijlen Sarah Silbermann (6e druk) - Vier Graalessays: - De Graal en zijn wereld - De stad van de Graal - Lohengrin te Antwerpen - Priester Johannes, Parcivals neef.
In zijn roman "De man die van nergens kwam" roept Hubert Lampo een raadselachtige liefde op uit het victoriaanse Antwerpen. Hoofdpersonen zijn de erudiete Merlaan en de destijds gevierde operazangeres Lise Clément. Maar ook het zestiende-eeuwse Antwerpen, smeltkroes van humanisten, alchemisten en ketters, wordt onderdeel van deze romantische vertelling. Om de Kolvenierstoren, het laatste overblijvsel van de middeleeuwse Sint-Michielsabdij, te behoeden voor de slopershamer, wordt door de geziene hoofdredacteur Merlaan van het Antwerpse dagblad Het Avondnieuws een campagne opgezet. Maar waarom staakt hij plotseling en zonder verklaring zijn welsprekende pleidooien voor het behoud van de toren? Op een ander tijdsvlak zijn we er getuige van hoe Merlaans verre opvolger, samen met zijn zoon, deze geheimzinnige zaak onderzoekt gedurende een onvergetelijke vakantie op het platteland. "De man die van nergens kwam" vormt een hoogtepunt in de reeks Antwerpse romans van Hubert Lampo en verleent een nieuwe dimensie aan zijn magisch-realisme.
Rein Blijstra (1901) - Goden vallen uit de hemel; Belcampo (1902) - Het plan Kruutntoone; Louis Paul Boon (1912) - De triestige merel; Adriaan Morriën (19012) - De engel; Simon Carmiggelt (1913) - Glaasje draaien; Car Lans (1913) - De Egeïsche Zee; Manuel van Loggem (1916) - Een geur van hoger honing; Marty Olthuis (1918) - Mou m'n hand vast, zei de poes; Hubert Lampo (1920) - De zoon van meneer Davidson; Willem Frederik Hermans (1921) - Ezelsoren; Olga Rodenko (1924) - Vijftigjarig jubileum; Ef Leonard (1924) - Landing; Jan Wolkers (1925) - Gevederde vrienden; Wim Burkunk (1925) - Nieuwe haring; Harry Mulisch (1927) - Kroonprins; Hugo Claus (1929) - Een idylle verbroken door een conciëge; Hugo Raes (1929) - De desintegratie; Ward Ruyslinck (1929) - De sneeuwbui; Remco Campert (1929) - Het meisje met de baard; Bob den Uyl (1930) - De grote klap; Frank Herzen (1933) - En zondags een stukje vlees; Kees Simhoffer (1934) - De heod van de dood; Piet Grijs (1936) - De douche; Raoul Chapkis (1936) - Sleuteltje; Anton Quintana (1937) - Spiegelbeeld; Gerben Hellinga (1937) - Koning; Paul van Herck (1938) - Regen; Jacques Hamelink (1939) - Visioenen van de stad Glamorrhee; Bob van der Goen (1940) - Het geluid; Peter Andriesse (1941) - De verzameling; Ton van Reen (1941) - Stars and stripes; Harry Commijs (1944) - Uit het tijdschrift voor Wetenschappen; Peter Cuijpers (1944) - De handen gewassen in onschuld; Julien C. Raasveld (1944) - B
In deze magisch-realistische roman ziet een journalist uit Antwerpen zijn rustige, geordende leven in toenemende mate door onverklaarbare verschijnselen verstoord. Deze verschijnselen zijn steeds gekoppeld aan Joachim Stiller, een naam die langzaam maar zeker een obsessie voor hem wordt.
"Magickorealistický" román, o němž autor přiznává, že impulsem k jeho napsání bylo psychické trauma z nedávno prožité války. Kniha rozvíjí kolem antverpského spisovatele a lokálkáře příběh tajemné osoby, který kolísá mezirealitou a fikcí.
Evenals Shakespeare's Hermione uit "The winter's tale" duikt de doodgewaande geliefde van een man, die om harentwil ongetrouwd is gebleven, tijdens een kortstondig verblijf in Parijs in levende lijve voor hem op.
De sympathieke Benjamin heeft geen last van eerzucht en jaloezie, en ooit heeft hij het leven van zijn broer, de dictator Jozef, gered. Hij denkt te weten wat hij aan zijn broer heeft, maar is Jozefs menselijke kant nog wel terug te vinden als diens bevel belangrijker wordt dan het recht?De belofte aan Rachel (1952) gaat over de kansen van de menselijke waardigheid en van een positieve levensinstelling in tijden van onderdrukking en onvrijheid. Een roman waarin de problematiek tussen absoluut leiderschap en menselijke vrijheid en waardigheid centraal staat. Lampo beschouwde De belofte aan Rachel als de afsluiting van zijn groei naar 'literaire volwassenheid'.
In una bella villa sulle rive del Mediterraneo, Cécile, una giovane di diciassette anni, e suo padre, vedovo e quarantenne, vivono felici e spensierati, dedicandosi a una vita facile e piacevole. Non hanno bisogno di nessun altro, si bastano a vicenda in una indipendenza oziosa e dissoluta, basata sulla complicità e sul rispetto reciproco. Tuttavia, l'arrivo di Anne, una donna intelligente e serena, interrompe questo delizioso disordine. Sotto l'ombra dei pini che circondano la casa, si prepara un gioco crudele. Come allontanare la minaccia che incombe sulla strana ma armoniosa relazione tra Cécile e suo padre? Quando Anne, amica della madre di Cécile, cerca di prendere il controllo della situazione, Cécile ingaggerà con lei una lotta implacabile, utilizzando il perverso machiavellismo di un'adolescente, che, nonostante le sue intenzioni, eroderà la sua vita e la condurrà lentamente verso l'incontro con la tristezza.